Begin 2025 namen 241 ouderen uit acht Vlaamse steden en gemeenten deel aan HOUSE-workshops.
Ze vulden een uitgebreide vragenlijst in en gingen met ons in gesprek over hun woonervaringen, -noden en verwachtingen.
De eerste analyses zijn intussen afgerond en verschillende wetenschappelijke publicaties zijn in de maak.
Dit artikel bundelt enkele inzichten. Omdat het om een pilootstudie gaat met een niet-representatieve groep ouderen, zijn de resultaten niet te veralgemenen voor alle Vlaamse 65-plussers. Ze bieden wél waardevolle richtinggevende inzichten voor onderzoek, beleid en praktijk.
De meerderheid van de deelnemers is (zeer) tevreden met de huidige woning (88%). Tegelijk wijzen de resultaten op verschillende aandachtspunten, bijvoorbeeld op vlak van de fysieke staat van de woning en de persoonlijke woonervaringen:
De cijfers uit deze pilootstudie tonen hoe woontevredenheid gekleurd wordt door een grote combinatie van factoren, waaronder emotionele gehechtheid, gewoonte en buurtverbondenheid, zelfs wanneer de woning objectief minder geschikt blijkt om ouder te worden. Opvallend is dat de subjectieve inschatting van woningkwaliteit vaak positiever is dan de objectieve meting.
Subjectief welbevinden kan op verschillende manieren gemeten worden. Binnen het HOUSE onderzoek worden hiervoor verschillende domeinen gecombineerd, namelijk de algemene (ervaren) gezondheid, gevoelens, zelfregie (mastery), zingeving en levenstevredenheid.
De meeste bevraagde ouderen ervaring hun gezondheid als uitstekend of goed. Toch geeft meer dan 1 op 5 aan een matige of slechte gezondheid (21.2%) te hebben. Ook ervaart meer dan de helft (55%) in meer of mindere mate een fysieke beperking. Op vlak van gevoelens ervaart bijna 1 op 5 ouderen minstens twee weken gevoelens van verdriet, hopeloosheid of neerslachtigheid met impact op het dagelijks functioneren (19,6%). Daarnaast scoort 1 op 4 laag op zelfregie (25,3%) en 3 op 10 laag op zingeving (30,9%) en levenstevredenheid (33,9%).
Deze resultaten maken duidelijk dat goed wonen meer is dan een passende woning alleen. Veel ouderen voelen zich over het algemeen goed, maar een betekenisvolle groep ervaart emotionele of mentale uitdagingen die hun dagelijks leven beïnvloeden. Het toont aan hoe belangrijk het is dat woonomgevingen niet enkel functioneel of comfortabel zijn, maar ook houvast bieden en autonomie en zingeving ondersteunen.
Bijna 4 op 10 ouderen heeft al nagedacht of gepraat over de toekomstige woonsituatie maar nog geen actie ondernomen (38%). Daarnaast heeft 18% hier nog niet bij stilgestaan. In een studie van de Koning Boudewijnstichting (2022) ligt dat laatste cijfer zelfs nog hoger: 4 op 10 ouderen (60+) heeft nog nooit over de toekomstige woonsituatie (wanneer het niet meer lukt) nagedacht.
Tegelijk tonen de HOUSE-resultaten dat ouderen wel openstaan voor verandering, al is niet elke optie even haalbaar of wenselijk. Woningaanpassingen met het oog op levenslang wonen worden het vaakst overwogen (48,2%). Meer dan 1 op 4 overweegt een assistentiewoning (27,4%) of dichter bij het centrum wonen (26,3%). De bereidheid voor meer structureel gedeelde woonvormen, zoals kangoeroewonen (18,4%) of andere gedeelde oplossingen (13,5%) is lager, maar is niet marginaal. Deze cijfers liggen hoger dan eerdere bevindingen (Koning Boudewijnstichting, 2022), wat kan suggereren dat nieuwe woonvormen stilaan meer ingang vinden, ook onder ouderen.
Wat vooral opvalt: wanneer we los van structurele woonvormen kijken, dan is de bereidheid om ruimtes, diensten en engagementen te delen met elkaar opvallend groot. Deze tendens biedt kansen voor nieuwe, hybride woonvormen die kleinschaligheid, sociale verbondenheid en gedeelde infrastructuur combineren.
Onderzoeker Ariane Vanbellinghen onderzocht hoe financiële ongelijkheden een rol spelen in het nadenken over de woontoekomst. Voor sommige ouderen blijkt “bereidheid tot veranderen” vooral een kwestie van noodzaak in plaats van keuze. Financiële kwetsbaarheid en huurderschap beperken vaak de ruimte om woonvoorkeuren om te zetten in realistische opties. Huurders en ouderen in een financieel kwetsbare situatie verwachten bijvoorbeeld vaker te moeten verhuizen binnen vijf jaar. Zij hebben doorgaans ook minder mogelijkheden om hun woning aan te passen, waardoor voorbereiding op veranderende woonnoden moeilijker wordt.
Deze bevindingen nuanceren het huidige beleid dat sterk inzet op ‘ageing in place’: thuis blijven wonen is niet voor iedereen vanzelfsprekend, en woonkwetsbaarheid laat zich niet uitsluitend herleiden tot inkomen of eigenaarschap. Een breed palet aan betaalbare, toegankelijke en informatieve woonopties is daarom essentieel om echte keuzevrijheid te garanderen.
De pilootstudie vormde een belangrijke stap richting de ontwikkeling van een zelfscan waarmee ouderen vanaf april 2026 via de HOUSE-website zelf hun woonnoden en -voorkeuren kunnen verkennen. Ze krijgen meteen een persoonlijk rapport met de resultaten voor hun huidige en toekomstige woonsituatie en hun woonwelbevinden, aangevuld met extra tips om meteen aan de slag te gaan. Het rapport kan ouderen ondersteunen bij gesprekken met partner, familie, zorgprofessionals en, indien (ver)bouwplannen, ook de architect.
Daarnaast zijn de resultaten van deze zelfscan ook waardevol voor lokale besturen als input voor gemeentelijke woon- en ouderenbeleidsplannen en als dialooginstrument in participatietrajecten om zicht te krijgen op de diversiteit aan woonprofielen binnen de gemeente.
Voor wie alle cijfers wil bekijken, bekijk het volledige rapport en de infographics.
Interesse om als lokale beleidsmaker binnenkort aan de slag te gaan met deze zelfscan in uw gemeente? Laat het ons weten.